Tijd tot 90 jarig bestaan!

Dagen:
Uren:
Minuten:
Seconden:

Opleidingsvisie

Opleidingsvisie

 

1. Handelingssnelheid

Het doel van voetbal is om een doelpunt meer te maken dan de tegenstander. Dit gebeurt door middel van de teamfuncties aanvallen, verdedigen en omschakelen. Aanvallen bestaat uit de teamtaken opbouwen en scoren. Verdedigen bestaat uit storen en het voorkomen van doelpunten. Voetbal is hierbij in de basis overal hetzelfde. Op elk niveau worden dezelfde voetbalhandelingen (zoals passen, slidings maken en vrijlopen) uitgevoerd om de spelbedoeling te realiseren. Het verschil in niveau wordt bepaald door de hoeveelheid tijd en ruimte die spelers hebben om een deze voetbalhandelingen uit te voeren. Dus hoe sneller je kan handelen, hoe hoger je niveau.
Een voetbalhandeling bestaat uit drie fasen. De eerste fase is waarnemen (waar is de bal, wat doen mijn medespelers, waar zijn de tegenstanders, hoe sta ik ten opzichte van de goals, etc). In de tweede fase maakt een speler op basis van de waarnemingen een keuze (spelinzicht). In de derde fase wordt deze keuze uitgevoerd (techniek).
Handelingssnelheid kan je verhogen door te spelen met tijd en ruimte. Hoe minder tijd en ruimte, hoe sneller een speler moet handelen. Dit kan een trainer doen door te spelen met weerstanden (veldafmetingen, aantal aanvallers en verdedigers, arbeid-rust-verhouding of extra spelregels, zoals 1x raken).

2. Pro-activiteit

Voetbal is een open sport, waarin elke situatie anders is (anders dan bij bv. turnen of schaatsen). Dus waarom eindeloos geïsoleerd dezelfde handeling proberen te perfectioneren? Kijk maar naar een vrije trap van Ronaldo, Pierre van Hooijdonk of Roberto Carlos. Allemaal specialisten die op een andere manier een aanloop nemen en de bal raken.
Spelers leren sneller als je ze bewust in situaties brengt waarin ze onbewust leren. Creëer de situatie die je wilt trainen en zorg dat spelers vaak in die situatie terechtkomen. Als je bijvoorbeeld de crosspass en het opendraaien wilt oefenen, kan je een partijspel doen op een breed veld met 4 goaltjes. Blijf variëren, waardoor spelers nooit iets op de automatische piloot kunnen doen en dus blijven ontwikkelen. Stop met sjabloonoefeningen en laat spelers altijd een keuze maken.
Het is aangetoond dat spelers die multi-disciplinair worden opgeleid, betere voetballers worden. Voetballers die ook een andere sport doen, ontwikkelen betere coördinatie en omdat ze in andere situaties komen, leren ze in meer verschillende situaties de juiste keuze maken. Daarom is het ook goed om spelers niet te snel op een vaste positie te zetten. Ook verschillende ondergronden, balmaten, kwaliteit van tegenstanders (soms beter / groter, soms minder goed / kleiner) of medespelers (soms ben je de beste / grootste, soms de mindere / kleinste) helpen hierbij.
Een speler die zelf zijn keuzes (en fouten) maakt, leert sneller. Een trainer of coach moet dus niet alles voorzeggen, maar spelers zelf oplossingen laten vinden. Ook als je een speler zelf verantwoordelijk maakt voor zijn ontwikkeling, leert hij sneller. Laat een speler dus zelf bepaalde taken uitvoeren (zoals eigen tas inpakken, trainingsmaterialen opruimen of zijn eigen doelstellingen formuleren). Het voorzeggen werkt bij de jongste jeugd ook vaak verwarrend (naar wie moet ik nou luisteren), frustrerend (heb ik eindelijk de bal, moet ik hem weer afspelen) en vertrouwens-verlagend (ojee, straks doe ik het verkeerd).
Pro-actief zijn, betekent ook risico’s durven nemen. Als ontwikkeling belangrijker wordt dan resultaat, leert een speler sneller. Jonge voetballers die pingelen, worden daar beter van. Ze moeten niet afgeremd worden door een coach die vertelt dat ze moeten overspelen. Door risico’s te nemen, worden spelers in situaties gebracht waar ze leren. Er wordt dan bijvoorbeeld opgebouwd van achteruit (ipv de lange bal naar voren) en er wordt een voetballende oplossing gezocht bij een 1-0 voorsprong vlak voor tijd (ipv een veilige ongecontroleerde trap over de zijlijn).

3. Groeimindset

Bij werken aan een statische mindset wordt geprobeerd gedrag te verbeteren. Maar gedrag komt voort uit overtuigingen.

Bij een groeimindset wordt gewerkt vanuit overtuigingen.

Het is aangetoond dat spelers met een groeimindset sneller ontwikkelen dan spelers met een statische mindset.

Talent = aanleg (aangeboren) x leervermogen (te ontwikkelen).

Focus op het deel waar je invloed op hebt.

Wat kan de coach doen

1. Geef complimenten over wat iemand kan, niet over wat iemand is. Dus “Wat heb jij een goede actie gemaakt” ipv “Jij bent een geboren pingelaar”.
2. Maak spelers bewust dat de allerbesten ook ooit tegenslag hebben gehad.
3. Geef het goede voorbeeld en vertoon zelf gedrag dat hoort bij een groeimindset.
4. Creëer een open foutcultuur, waarbij fouten noodzakelijk zijn om te ontwikkelen. Leer spelers omgaan met tegenslag door ze buiten hun comfortzone te halen.
Bagatelliseer fouten niet. Als een  speler zegt “Ik kan dit niet!”, zeg dan niet “Je kan het wel, het zit in je.”, maar “Dat klopt, je kan het nu nog niet.
Maar ik heb alle vertrouwen dat als je goed oefent, je het straks wel kan. En ik zal je daarbij helpen.”
5. Leg spelers uit hoe ontwikkeling werkt. Bij oefenen worden verbindingen gemaakt in de hersenen. Bij een fout is de verbinding nog niet sterk genoeg.
6. Benoem niet wat in het verleden fout ging, maar geef een toekomstgerichte tip. 7. Maak de individuele ontwikkeling van een speler zichtbaar.

Statische mindset

1. Talent is aangeboren
2. Wil talent bewijzen
3. Stelt prestatiedoelen
4. Vermijdt fouten
5. Geeft op
6. Ziet feedback als aanval
7. Voelt bedreiging bij succes van anderen

 

Groei mindset

1. Talent kan worden ontwikkeld
2. Wil talent ontwikkelen
3. Stelt ontwikkeldoelen
4. Ziet fouten als onderdeel van leerproces
5. Zet door
6. Ziet feedback als tip
7. Voelt inspiratie bij succes van anderen

 

DOWNLOAD Opleidingsvisie vv VIOD  HIER